Politiek actief zijn wordt in Israël gezien meer als burgerlijke plicht en minder als een vehikel voor een carrière. Dat nam ik mee naar Nederland en meldde ik mij aan als vanzelfsprekend bij de Partij van de Arbeid (PvdA). Veel later pas kwam ik erachter dat het niet één op één is de Arbeiderspartij in Israël en de PvdA in Nederland. Er zijn wel raakvlakken tussen de twee, maar ook essentiële verschillen. De PvdA kent een veel grotere rol toe aan de overheid dan mij lief is ten koste van de eigen keuze en verantwoordelijkheid van de burger.
Later werd mij verteld door een expert dat de Arbeiderspartij in Israël dichterbij de VVD staat dan bij de PvdA. Maar in de jaren 70 in Groningen, waar ik toen woonde, werden VVD’ers zowat asociaal gezien. Ik herinner mij van die tijd de discussie die ik had met PvdA prominent Jacques Wallage binnen de werkgroep onderwijs. Hij pleitte voor afschaffing van zelfstandige gymnasia. Vol verbazing zei ik tegen hem: “Jacques, als jij later jouw kinderen niet naar een gymnasium wilt sturen, jouw goed recht. Waarom wil je bepalen dat anderen dat ook niet kunnen doen?” Zijn repliek was illustratief: “Je klinkt wel liberaal”, zei hij tegen mij. Treffend wel, achteraf gezien, maar toen voelde het als een vloek. Overstappen naar de VVD was dus toen geen optie. Lidmaatschap van de PvdA gewoon opzeggen en verder niets, ook niet. Immers, het besef van politiek actief zijn als burgerlijke plicht zat en zit er diep in.
Dan maar lid worden van een tussenpartij, D66. Maar daar kwam ik al snel achter dat het een verkeerde keuze was: 1. Ik kreeg dezelfde discussie over onderwijs als bij de PvdA en 2. Het standpunt van D66 over het migratiebeleid. Die verschilde niet wezenlijk van wat de PvdA voorstond. Migranten in de watten leggen en maar afhankelijk maken en houden.
Intussen had ik e.e.a. over dit beleidsterrein gepubliceerd en ik was volkomen helder en uitgesproken over wat mij voor ogen stond. In een intussen overbekend artikel in de Volkskrant van 18 juni 1988, schreef ik dat migranten in Nederland worden ‘doodgeknuffeld’ (zie 3b, onderaan).
Dit stuk is in de Tweede Kamer door de VVD fractie aangehaald en omarmd (Handelingen 31 oktober 1988, UCV 7). Woordvoerder Wiebenga van de VVD meldde bij de discussie in de Kamer: “Er is nog een derde visie (naast die van het Nederlands Centrum Buitenlanders en de gemeenten) op het minderhedenbeleid in de jaren negentig die mijn fractie graag naar voren wil brengen. Dat betreft de visie die onder woorden is gebracht door het Intercultureel Instituut van drs. Pinto. Die pleit voor minder categorale en minder groepsgewijze aanpak, voor meer plaatselijk beleid, dus decentralisatie, en voor zelfontplooiing…. Zijn conclusie is dat niet de overheid minderheden kan emanciperen, maar dat zij dat alleen zelf kunnen”, aldus Wiebenga.
En Pim Fortuyn schreef in zijn boek ‘Aan het volk van Nederland’ van 1991, pag. 50 dit:
“….maar ten onzent wordt door mensen als David Pinto veel goed werk gedaan om cultuurverschillen te leren hanteren, en wat belangrijker is, deze verschillen niet te zien als in de eerste plaats een handicap maar als een bron van energie en creativiteit. Hij moet niets hebben van de knuffelmentaliteit en het gemoraliseer van de zogenoemde professionals. Hij benadert allochtonen en autochtonen op een volwassen manier. Denkt niet voor hen maar met hen. Het is dan ook een man met praktische ervaring. Zelf afkomstig uit Marokko, een tijdje Israël en daarna Nederland. Nu een zelfstandig ondernemer die een bureau drijft dat bedrijven en instellingen adviseert en traint bij het omgaan met cultuurverschillen. Veel meer dan thans het geval is zullen de medelanders zichzelf moeten inzetten om hun positie te verbeteren. Het voor hen, over hen, maar zonder hen dient voltooid verleden tijd te worden”.
Dit zou ertoe hebben bijgedragen dat ik zijn nr. 2 was bij de latere beweging Leefbaar Nederland. Niet LPF. Daar ben ik nooit lid van geweest.
Voor het 1e Kabinet Balkenende werd ik wel door die partij (de LPF) gevraagd als minister voor Integratie, zie de Volkskrant van dinsdag 16 juli 2002. Maar ik vond de paragraaf over het integratiebeleid te hard en heb nee gezegd.
Na de teleurstelling ook bij D66, kwam het toch ervan om lid te worden van de VVD. Het migrantenbeleid bij deze partij zat goed, ik heb Frits Bolkestein hierin mogen adviseren, maar een voor mij kardinaal gegeven zat niet goed. Namelijk de interne democratie. In die jaren was er geen sprake van one man one vote; geen stemming van de leden bij cruciale zaken. De partijleider had het alléén voor het zeggen, op alle fronten. Dat stuitte mij te zeer tegen de borst en zag ik mij wederom genoodzaakt mijn lidmaatschap op te zeggen.
Dan maar een eigen partij oprichten om toch politiek actief te blijven zoals het een goede burger betaamt? Wel geprobeerd, maar de kans is dan zeer klein om grote maatschappelijke vraagstukken als een adequaat en effectief migratiebeleid te realiseren. Bovendien, is intussen bij de VVD het grote struikelblok, de interne democratie gelukkig aangepakt en verbeterd.
|