Zoek op trefwoord [uitgebreid zoeken]

Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player







Inhoudsopgave:
1. Home

2. Instituut ICI

3. Publicaties


5. Autobiografie

6. Weblog

7. Contact
 
27.06.2017, 10:48
Weblog overzicht · Zoek een bericht

Bericht - 2789 keer gelezen
Compromisloos participeren
Hoe is identificatie mogelijk met een creatie die geen identiteit heeft?
Prinses Máxima, Ruud Lubbers, Paul Scheffer, de WRR en andere prominenten liggen in de clinch met elkaar over het vraagstuk van migratie, integratie en multiculturaliteit.

De meningen lopen uiteen over vragen als: bestaat er nu wel of geen Nederlandse identiteit? Moeten de verschillen met migranten wel of niet benoemt worden? Moeten we naar harmonie streven of het conflict niet schuwen?

Voor een juiste diagnose en dientengevolge de juiste medicatie is de vraagstelling bepalend. Niet alleen op medisch gebied.

Het huidige discours wordt beheerst door bovengemelde vragen. Omdat het oude Nederland niet meer bestaat stel ik in mijn nieuw boek‘Een stap verder’, een geheel andere vraag: “Wat is gewenst, nodig en haalbaar om te eisen, wat is goed voor de gehele samenleving, nieuwe én oude burgers?” Met andere woorden: hoe gaat nieuwe Nederland eruit zien?

De misvatting van Máxima
Is de vraag naar identiteit dan niet relevant? Zeker wel. Het is alleen vragen naar de bekende weg. Het getuigd van een grote dosis naïviteit en nog meer onwetendheid om ‘identiteit’ te ontkennen of te vervlakken. “De eigen identiteit is een levensbehoefte”, aldus de befaamde Amerikaanse wetenschapper Charles Taylor. En dit geldt op alle niveaus (macro, meso en micro). En juist Nederland kent zulke uitgesproken kenmerken zoals: verregaande individuele vrijheid; het polderen en naar consensus blijven zoeken; gedoogbeleid; bijna alles ‘moet kunnen’; grote mate van onverschilligheid; flegmatiek; ver gevoerde nuancering en relativering; grote mate van acceptatie van homoseksualiteit; ‘de put dempen nadat de kalf is verdronken’; verheerlijking van middelmatigheid; niet boven het maaiveld uitsteken; grote angst om fouten de maken en onaardig te worden gevonden; emoties beheersen; antiautoritair; soberheid. Moderne waarden die in schril contrast staan met de premoderne.

De individuele uniciteit, ook in Nederland, is buiten kijf en staat hierbuiten en hierboven.

Máxima heeft toch een inburgeringcursus gehad, hoop ik.

Daarom ook nam ik kennis van de speech van Máxima met grote verbazing. Zeker toen zij trachtte haar stelling te onderbouwen met de koekjestrommel en de gordijnen, zaken die passen in de categorie van folklore en niets van doen hebben met de diepliggende oorzaken van gedrag en communicatie en die de identiteit bepalen. Geen wonder dat een storm van protest opstak in de samenleving over haar uitlatingen.

De opvatting van Scheffer
Een andere karakteristiek van het huidige discours is dat het bij het conceptuele blijft steken. Paul Scheffer bijvoorbeeld, eindigt het eerste hoofdstuk van zijn boeg ‘Het land van aankomst’ met de stelling dat pas wanneer we beide gezichtspunten (van de ontvangende samenleving en de migranten) serieus nemen, kan er sprake zijn van ‘ons leven’ (in plaats van hun of mijn leven). Maar hoe doe je dat concreet en praktisch? Hoe geef je daaraan handen en voeten? Verteld hij niet. En dat is wat ik met mijn nieuw boek heb beoogd. Tal van cases (zeven en zeventig) uit de dagelijkse praktijd van school, buurt, gezin, postkantoor, werkvloer, zwembad, gemeenteloket, buurthuis, ziekenhuis, politiebureau enz. enz. heb ik eerst geanalyseerd: waarom en waardoor botsen de vele en diverse eigenheden van betrokkenen met elkaar. En vervolgens alle cases voorzien van een ‘Richtingwijzer’ hoe daarmee om te gaan en te handelen met behoud van ieders eigenheid. Zodoende wordt ieder in zijn waarde gelaten en de alom gebezigde begrip 'respect' krijgt een reële betekenis.

Vermijding, conflict, vergelijk
Nog een gevolg van de keuze van de vraagstelling. Vanuit de perspectief van ‘Het land van aankomst’ gaat Scheffer in zijn boek uit van drie ontwikkelingsstadia: vermijding, conflict, vergelijk. Vanuit een vraagstelling die uitgaat van ‘de gehele samenleving’ en dus zowel vanuit ‘nieuwe als oude burgers’, kom ik zelf in andere boeken (over interculturele conflicten, 1994 en 2004) tot zeven fasen. Het ligt dus een slag ingewikkelder, maar vollediger.

Ik ben het wel met Paul Scheffer eens dat wij thans verkeren in wat bij hem de tweede en bij mij de derde fase is: verwarring/conflict. Nochtans, verschil ik met hem van mening voor wat betreft de juiste vraagstelling. Voor mij gaat het al lang niet meer over ‘Het land van aankomst’. Dat bestaat niet meer. Dat is daarom een gepasseerd station en je hebt thans rekening te houden met en uitgaan óók van de positie van de migrant en zijn (klein)kinderen. De bij dit stadium van ‘verwarring/conflict’ passende vraagstelling vind ik, zoals gezegd: “Wat is gewenst, nodig en haalbaar om te eisen, wat is goed voor de gehele samenleving, nieuwe en oude burgers?” . En bij de beantwoording van deze vraag schiet ons gelukkig, ook internationaal onderzoek te hulp. De uitkomst van dit onderzoek biedt overigens, aanmerkelijk meer en beter perspectief dan het omstreden, weinig onderbouwd en meer politiek correct rapport van de WRR ‘Identificatie met Nederland’.

Internationaal onderzoek
Een grootscheeps internationaal onderzoek onder migrantenjeugd in diverse landen (Berry e.a., 2006) laat zien dat migranten twee dimensies kiezen. Dit is in tegenstelling tot het uitgangspunt dat decennia lang heeft overheerst, namelijk dat migranten en hun kinderen één optie hebben: zich identificeren met hun oude óf met de nieuwe cultuur. Een ééndimensionaal model dus. De twee dimensies die migranten blijken te kiezen zijn: 1) de intensiteit waarmee zij omgaan met leden van het ‘nieuwe land’, de dominante cultuur; 2) de mate waarin zij vasthouden aan de eigen (oude) cultuur.

Volgens de onderzoekers kan de migrant dan vier houdingen nemen:

1. Assimilatie: maximaal contact met de nieuwe omringende samenleving en minimaal eigen cultuurbehoud. In zo’n geval ondergaat hij assimilatie.
2. Collectieve afzondering: minimaal contact met de nieuwe omringende samenleving en maximaal eigen cultuurbehoud.
3. Marginalisering: minimaal contact met de nieuwe omringende samenleving en ook minimaal eigen cultuurbehoud.
4. Integratie: maximaal contact met de nieuwe omringende samenleving én ook maximaal eigen cultuurbehoud.
Met de vierde houding, integratie, bedoelen de onderzoekers geen assimilatie (de eerste houding) maar participatie. Jongeren die voor integratie kiezen, willen volgens Berry e.a. eigenlijk ‘the best of both worlds’ en ze laten dat blijken in hun identiteitbeleving, het aangaan van relaties, taalgebruik, muziek- en filmvoorkeur. De onderzoekers rapporteren dat deze categorie het lekkerst in zijn vel zit, goed scoort met zelfvertrouwen, tevredenheid met eigen leven, schoolprestaties en sociaal gedrag.

Deze vierde houding is ook wat met de dubbel-perspectiefbenadering (dp) (hoofdstuk 2 van mijn nieuw boek) bereikt kan worden. Toepassen van de dp-benadering - het eigen perspectief en dat van de ander leren kennen- zorgt ervoor dat zowel oude als nieuwe burgers er beter van worden. De dominante cultuur omhelzen en de eigen cultuur afzweren is vragen om moeilijkheden, concluderen Berry e.a. en ondergraven hiermee de opvatting dat migranten en hun kinderen ‘zich maar moeten aanpassen’.

En voor deze benadering is een nieuw, ander beleid nodig dan tot nu gevoerd, helder en haalbaar (‘De waarheid kenmerkt zich door eenvoud’, Grieks gezegde).

Perspectief
“Naïef optimisme, dat een goed gesprek tussen een Hollandse libertijn en een Somalische moslim de meeste culturele problemen wel uit de weg zal ruimen.”, Aldus Herman De Dijn, filosoof, de Volkskrant, 19 oktober 2002

‘Dialoog’ wordt vaak bepleit als het gaat om het migratievraagstuk en daarmee is niets mis, maar dialoog alleen is ontoereikend. Voor de oude burgers dient een nieuwe beleidsinstrument te worden ontwikkeld dat kennis van en inzicht in de normatieve verschillen tussen moderne en premoderne waarden garandeert. In die zin is diversiteitbeleid door participatie een tweezijdige inspanning, van de nieuwe en de oude burgers. Eenzijdig de inspanningsverplichting bij de nieuwe burger neerleggen - wat voortvloeit vanuit de integratiegedachte - is begrijpelijk maar onvruchtbaar. Een nieuwkomer bijvoorbeeld kan een uitstekend beroepsopleiding achter de rug hebben. In een voortreffelijk inburgeringprogramma heeft hij onder andere geleerd dat je in Nederland elkaar in de ogen kijkt bij een gesprek. Voor hem is dat wennen, omdat wat hij in bepaalde situaties beleefd vindt – niet aankijken – wordt in Nederland juist negatief ervaren. Een selecteur die niets van gewoonten van anderen (migranten) weet, kan deze geslaagde migrant afwijzen omdat hij tijdens het gesprek nu en dan in zijn eigen gewoonte vervalt en de ander niet continu aankijkt.

Daarnaast is het probleem van migranten die onnodig aan de kant staan of ver onder hun kunnen werken op den duur niet alleen hún probleem, maar een maatschappelijk probleem. Immers, als een deel van een leefeenheid (ook in het klein) ongelukkig is, heeft dat gevolgen voor de hele leefeenheid.

Een inspanning die van beide kanten komt, nieuwe en oude burgers, levert een samenleving op met diversiteit binnen eenheid (dbe). Met participatie kan er maatschappelijke samenhang worden bereikt en volwaardige deelname aan het maatschappelijk verkeer door iedereen. dbe betekent het behoud van ieders kernwaarden, uiteraard binnen de geldende wettelijke grenzen en grondwaarden, zodat iedere groepering in de samenleving haar eigen subcultuur kan handhaven.

Nieuwe aanpak is vereist
Doodknuffelen

Vele jaren was het ‘bon ton’ om de ‘zielige buitenlander’ in de watten te leggen. Buitenlanders werden omgeven door een leger hulpverleners die klaarstonden om bij iedere kuch op te springen, actie te voeren en op de overheid af te geven. Bij vele voorzieningen, zoals subsidie voor sportactiviteiten, werden buitenlanders voorgetrokken ten opzichte van de leden van de ontvangende samenleving. Eisen stellen aan buitenlanders, op welk gebied dan ook, was volstrekt ‘not done’ en werd gezien als volkomen politiek incorrect. Zodoende kregen buitenlanders geen enkel impuls om hun best te doen, talenten te ontplooien en zich te ontwikkelen. Dit verschijnsel heb ik in een ingezonden stuk in de Volkskrant (18 juni 1988) ‘Doodknuffelen’ genoemd. Waarna ik vervolgens pleitte voor Inburgeringcursussen.

Inmiddels zijn er vele zaken veranderd:

• ‘minderhedenbeleid’ maakte plaats voor ‘allochtonenbeleid’
• een verplicht ‘inburgeringprogramma’ werd wet;
• ‘onderwijs in eigen taal en cultuur’ (oetc) tijdens schooltijd werd uit schooltijd verbannen.
Daarna is ‘allochtonenbeleid’ weer vervangen door ‘integratiebeleid’ en daarmee is Nederland naar de andere extremiteit doorgeschoten: van doodknuffelen naar doodknuppelen.

Doodknuppelen
Het verharde tijdperk van ‘integratiebeleid’ duurt al enkele jaren. Van nieuwe Nederlanders wordt keihard en zonder blikken of blozen geëist hun eigenheid op te geven en zelfs religieuze voorschriften te laten varen ten dienste van ‘De Integratie’. De beoogde en gewenste resultaten blijven uit. Twee jaar geleden werd, op initiatief van de Socialistische Partij (SP), een Kamercommissie ingesteld die onder leiding van Stef Blok (kamerlid voor de vvd) het integratiebeleid moest evalueren. Het rapport dat de Commissie Blok uitbracht is ronduit waardeloos. Het sussend karakter ervan verhinderde om tot de kern van de mislukking door te dringen en leidde tot een stagnerende werking en (beleids)schade. Het was te voorzien dat dat beleid zou falen, en wel om de volgende redenen:

• Er is niet erkend dat de huidige migrantenpopulatie en de ontvangende samenleving botsende culturen zijn.
• Eenzelfde beleid kan niet heilzaam zijn voor zoveel verschillende doelgroepen.
• Beleid bedacht door westerlingen van de midden- en hogere klasse past niet bij mensen met een plattelands, traditioneel en arm achterland. Armoede kweekt straatvechtersmentaliteit. ‘Dialoog’ past hier absoluut niet bij.
• De bedachte oplossing is te vaag. Met welk segment van de maatschappij, met welk milieu en tot hoever dient een immigrant te ‘integreren’.
• Marokkaanse boeven in diverse steden zijn geïntegreerd en Chinezen niet. Over de eerste groep klagen we, over de tweede niet.
Alternatief
Wat is het alternatief? Het antwoord dient een beleid te zijn dat, conform de diagnostische centrale vraag, gewenst, nodig en haalbaar is. En dat is een decentraal diversiteitbeleid waarin participeren centraal staat.

Gewenst
Als assimilatie - opgaan in een nieuw milieu van individuen of groepen - het doel is van integratie, dan is dat gedoemd te mislukken. Participatie door middel van diversiteitbeleid vinden oude en nieuwe burgers gewenst om spanningen, wantrouwen en angst tussen bevolkingsgroepen tegen te gaan. Zij vinden dit ook nodig.

Nodig
Integratie is niet nodig, zeker niet in de zin van assimilatie, dan is het zelfs verwerpelijk. Als voorstanders van integratie beweren dat er ook participatie mee wordt bedoeld, waarom dan de misleidende terminologie hardnekkig blijven handhaven? Sterker nog, iemand kan geïntegreerd zijn in die zin dat hij de taal goed spreekt, zich ‘als Nederlander’ gedraagt en toch niet actief deelnemen aan bijvoorbeeld het arbeidsproces.

Haalbaar
De kloof tussen moderne en premoderne waarden maakt dat de zo gewenste integratie niet haalbaar is. Participatie is wel goed mogelijk en haalbaar, omdat niet het wordt gevraagd je eigenheid overboord te gooien. Meedoen, volwaardig deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, kortom maatschappelijk en economisch participeren is de beste remedie tegen de dreigende sociale tweedeling en het voorkomen van ernstige etnische spanningen en conflicten. Voor de nieuwe burgers wordt het beleidsinstrument ‘Inburgering’ ingezet. Iedere nieuwkomer dient zo’n programma met succes te doorlopen. Dat is de plicht van de migrant. Oude burgers hebben hierin ook een taak te vervullen, namelijk het hierna volgende.

‘Krachtig’ investeren
Overheid, bedrijfsleven en de gehele samenleving moeten krachtig investeren om de door verkeerd beleid aangerichte schade zoveel mogelijk te beperken en een goed herstel en duurzame oplossing te bewerkstelligen. De media kunnen meewerken door niet alleen hun ‘gelijkgestemden’ een podium te bieden, maar ook ‘andersdenkenden’ met een andere, wellicht een betere, juistere boodschap. Daarmee wordt eenzijdigheid voorkomen, komt er niet alleen het perspectief van de met moderne waarden doordrongen sociale klasse en politieke correctheid over het voetlicht.

Er is geen extra geld gemoeid met krachtige investeren aan de hand van diversiteitbeleid, integendeel zelfs. Het gaat om een investering in politieke en bestuurlijke zin, de moed opbrengen om toe te geven dat de verkeerde weg is ingeslagen. Diversiteitbeleid zal juist geld besparen, omdat er geen categorale maatregelen meer nodig zijn en allerlei voorzieningen - clubs, instanties en instellingen – overbodig worden. Wat er moet gebeuren is:

1. normatieve verschillen tussen moderne en premoderne waarden erkennen én leren;
2. integratiebeleid vervangen door diversiteitbeleid;
3. islamdebatten vervangen door normendebatten.
Het is dan niet nodig dat nieuwe burgers ‘assimileren’ en dat oude burgers belangrijk geachte waarden moeten ‘inleveren’ om tot maatschappelijk samenhang, sociale cohesie en vreedzame co-existentie te komen. Het is begrijpelijk en gerechtvaardigd dat oude burgers hun gevestigde normatieve regels en codes en morele opvattingen wensen te behouden, maar dit betekent niet dat nieuwe burgers hun eigenheid dienen op te geven om volwaardig deel te nemen aan de nieuwe omgeving.

Meer, d.w.z. ‘specifiek beleid’, bijzondere instanties en speciale voorzieningen zijn niet nodig. Degenen die werkelijk en naar objectieve maatstaven steun nodig hebben, kunnen onder het algemeen beleid vallen dat van toepassing is voor iedere ingezetene.

 
Copyright © 1982-2010 - ICI - Alle rechten voorbehouden